4

 

Kenny Thomson keek vanaf de heuvel naar het Herring House. Op het strand erachter lag zijn bootje, achter de vloedlijn. Het was zulk mooi weer dat het vaartuig daar rustig kon blijven liggen. Over een tijdje zou hij de boot met een trailer wat hoger neerleggen, in het gras, zodat die tijdens een storm of springvloed niet zou worden weggespoeld. Bovendien kon hij de boeg dan van een laag teer voorzien. Voorlopig kon zijn bootje wel op het strand blijven liggen. Misschien was het een geschikte avond om het water op te gaan om op koolvis te gaan vissen, maar hij wist dat hij zijn plan waarschijnlijk niet ten uitvoer zou brengen. Hij viste nog steeds met veel plezier, maar was niet meer zo fanatiek als vroeger, in zijn jonge jaren. Toen was hij vaak mee geweest met zijn broer en met Willy, die ook in Biddista woonde. Toen ze ouder waren, gingen de broers graag samen vissen. Als het dan een mooie avond was, belde hij Lawrence op: ‘Heb je zin om een paar uurtjes het water op te gaan?’ Maar nadat Lawrence Shetland voorgoed verlaten had, was het nooit meer zoals vroeger geweest. Er waren wel anderen die ook prettig gezelschap waren en die ook graag mee waren gegaan als hij hen had gevraagd, maar Kenny wist dat hij dan moeite moest doen om hen te vermaken. Er werd dan van hem verwacht dat hij interesse toonde in hun werk en hun gezin. Bij Lawrence had hij altijd zichzelf kunnen zijn.

Er was een feestje in het Herring House. Hij was niet uitgenodigd, maar wist er wel van. Vroeger had Bella hem ook altijd gevraagd. Dan kwam ze het pad oprijden in die mooie fourwheeldrive van haar, al ontging het hem waarom ze zo’n auto nodig had, want ze gebruikte hem alleen maar om naar Lerwick te gaan, of naar Sumburgh om het vliegtuig te pakken. Ze liep dan altijd ongevraagd naar binnen, zonder dat hij iets gezegd had.

‘Jullie komen toch ook, Kenny? Ja toch? Jij en Edith? Ik zou het heel fijn vinden als jullie kwamen. We zouden nooit in het Herring House zijn komen wonen als Lawrence en jij er niet zoveel tijd en energie in hadden gestoken.’

Dat was waar. Op een gegeven moment had ze het plan opgevat het huis te kopen en op te knappen. Vaak waren ze er ’s avonds gaan klussen, nadat hij klaar was met de schapen of met het werk op het land. Het meeste hadden ze zelf gedaan. Liefdewerk oud papier, had Lawrence gezegd. Ze hadden er inderdaad bar weinig voor betaald gekregen. Maar het viel toen niet mee om alleen van het vee en het land rond te komen, en met opgroeiende kinderen konden ze het extra geld goed gebruiken. Bella had waarschijnlijk gedacht dat ze hun een dienst bewees. In die tijd kon iedere kerel alles met zijn handen maken wat zijn ogen zagen.

Zodra ze klaar waren, ging Kenny naar huis, naar Edith. Lawrence bleef dan nog even met Bella nakletsen. Soms was het al zo laat dat Kenny verwachtte dat Edith al zou slapen. Maar ze wachtte altijd op hem. Ze ging trouwens nooit vroeg naar bed. ’s Winters zat ze steevast bij het vuur te breien. Hij merkte dan dat het al laat was doordat het hele huis aan kant was. ’s Avonds laat was het enige moment van de dag waarop alles was opgeruimd, want overdag haalden de kinderen tijdens het spelen de boel weer overhoop. In deze tijd van het jaar stond ze dan buiten in de tuin te werken, zelfs tot in de kleine uurtjes, en dan maakte ze een vinnige opmerking over Bella wanneer ze met hem naar binnen ging. Dat was in de tijd dat Eric nog niet op school zat. Dat was nu bijna niet meer voor te stellen. Hun kinderen waren inmiddels allebei het huis uit. Ingirid zou binnenkort zelf een kind krijgen. Ze werkte als verloskundige in de buurt van Aberdeen, en Eric had een boerderij op Orkney.

Tegenwoordig werden ze niet meer uitgenodigd, omdat Bella wist dat Kenny toch niet zou komen. Tot voor kort had Edith het nog wel leuk gevonden om zich voor zo’n chic feestje op te doffen en daar wijn te drinken en naar de gesprekken over kunst en literatuur te luisteren. Dan zagen ze in elk geval nog iets van hun geld terug. Maar Kenny had er niets van willen weten. Gewoonlijk was het zijn vrouw die bepaalde wat ze deden, maar in het geval van Bella Sinclair had hij zijn poot stijfgehouden. ‘Lawrence was misschien wel nooit weggegaan als zij er niet geweest was,’ zei hij dan. Ooit had hij er bijna aan toegevoegd: ‘Die vrouw heeft zijn hart gebroken.’ Maar dan zou Edith hem om zijn sentimentele gedoe hebben uitgelachen. Ze had altijd al een scherpe tong gehad, als kind al. En nog steeds. Hij moest lachen. Ze waren ruim dertig jaar getrouwd, en hij was nog steeds bang voor haar.

Hij keek op zijn horloge. Het was halftien, later dan hij had gedacht. In deze tijd van het jaar was je tijdsbesef niet altijd even accuraat. Elke avond liep hij de heuvel op, tenzij het zulk slecht weer was dat hij er geen zin in had. Om naar de schapen te kijken, beweerde hij, al was dat een smoesje. Hij wilde gewoon een moment voor zichzelf hebben, even bij Edith weg, die constant achter haar computer zat. Als Edith thuis aan het werk was, kreeg hij het gevoel dat het huis een verlengstuk van haar kantoor was, en dat was een plek waar hij zich nooit op zijn gemak voelde. In de winter nam hij weleens een geweer en een zaklantaarn mee om op konijnen te jagen. De konijnen bleven in het schijnsel van het felle licht zitten en vormden zo een gemakkelijke prooi. Hij had een geluiddemper op de loop gezet, omdat de beesten anders al bij zijn eerste schot wegvluchtten. Om konijnenvlees gaf hij niet veel, want dat vond hij te zoet en te slijmerig, maar verwerkt in een hartige taart met veel ui en stukjes spek wilde hij zich er nog weleens aan bezondigen. Meestal gooide hij zijn buit echter voor het grootste gedeelte weg.

Zonde, vond Edith altijd. Haar ouders hadden nooit geld gehad, en nog steeds was ze bang dat de armoede zou terugkeren, hoewel ze nu een goede baan had en hij naast het werk op het land weleens bijkluste in de bouw. Ze vond het vreselijk als er geld over de balk werd gesmeten. Maar ze hadden wat gespaard en zouden op hun oude dag niet verhongeren. Ook zouden ze niet van hun kinderen afhankelijk zijn.

Hij riep Vaila, zijn hond, omdat hij terug wilde gaan. Hij kon zijn huis zien liggen, op de zacht glooiende helling vlak bij het water, met daarachter het veel grotere Herring House. Een eind verderop aan de kust lag de begraafplaats. Vroeger, toen er nog geen wegen waren aangelegd, werden de overledenen daar per boot naartoe gebracht. Daarom lagen de begraafplaatsen op Shetland altijd dicht bij de kust. Het leek hem wel wat om over het water naar zijn laatste rustplaats gebracht te worden, maar dat werd niet meer gedaan.

Hij zag iets in de verte bewegen. Zijn ogen waren niet meer zo goed, maar hij meende dat er iemand uit de galerie kwam. Hij tuurde nog eens. Weliswaar deed hij altijd net alsof hij niet in het doen en laten van Bella geïnteresseerd was, maar nu werd hij toch nieuwsgierig. Meestal duurden haar feestjes wat langer, en deze bezoeker liep niet naar een auto om via het kustpad en de grote weg naar Lerwick terug te rijden, maar ging juist de andere kant op, langs het postkantoor en de drie huizen, in de richting van de pier. Daarna kreeg je alleen nog de oude pastorie waar Bella woonde, en Skoles, het huis van Edith en hem. Na Skoles ging de weg over in een voetpad, dat over de heuvel naar het daarachter gelegen dal leidde. De enige die daar nog weleens kwam, afgezien van toeristen die een eind gingen wandelen, was Kenny, om naar zijn schapen te kijken.

Kenny’s ogen volgden de gestalte tot die achter een heuveltje verdween. De man had gerend, op een vreemde manier, met grote passen, voorovergebogen, zodat het net leek of hij elk moment kon vallen. Typisch zo iemand waar Bella graag mee omging. Kunstenaars. Zelfs rennen konden ze niet normaal. Bella had altijd vreemde types om zich heen verzameld. Vroeger was het ’s zomers in de pastorie altijd een komen en gaan geweest van mensen van buiten, raar uitgedoste figuren. Door de openstaande ramen klonk dan vreemde muziek, en er werd aan één stuk door gekletst. Maar nu woonde Bella alleen en kreeg ze af en toe gezelschap van die neef van haar. Ze had bij Lawrence moeten blijven.

Hij liep de heuvel op en maakte een ruwe schatting van het aantal schapen dat hij zag. Later deze week zou hij ze bijeen moeten drijven om ze te scheren. Een paar jongens van Unst wilden hem wel komen helpen, en ook Martin Williamson had zijn hulp toegezegd.

Toen hij bij zijn huis terugkwam, was het al over elven. Edith was nog in de tuin aan het werk. Met korte, felle bewegingen schoffelde ze het onkruid tussen de bonenplanten weg. Waarschijnlijk had ze het grootste deel van de avond achter de computer gezeten, want ze was niet veel opgeschoten. Toen ze hem hoorde aankomen, keek ze op. Zo te zien was ze erg moe. Ze had de hele dag in Lerwick zitten vergaderen, en dat kostte haar altijd veel energie.

‘Kom mee naar binnen,’ zei hij, ‘anders worden we opgegeten door de muggen.’

‘Even dit stukje afmaken.’

Hij keek toe, terwijl ze voorovergebogen verderging, en bedacht hoe koppig ze altijd was, en hoe sterk.

‘Heb je die man gezien?’ vroeg hij, toen ze zich eindelijk oprichtte en de schoffel tegen de muur zette.

‘Welke man?’ Ze keek op en duwde een pluk haar weg uit haar gezicht. Hij vond haar nu mooier dan vroeger. Toen ze nog jong was, had ze een smaller gezicht gehad en weinig vlees op de botten. Hij wist niet meer precies wat hij toen voor haar gevoeld had, maar liefde was het niet. Althans niet de liefde die je in films ziet, de liefde zoals Lawrence die voor Bella had gevoeld. Zo was het tussen Edith en hem niet geweest, ook niet voor haar. Maar ze waren met elkaar doorgegaan en hij had altijd geweten dat ze het zouden redden. Ze zouden elkaar nooit erg op de zenuwen werken. Nu ze tegen de vijftig liep, keek hij soms vol verwondering naar haar. Haar gezicht vertoonde nog bijna geen rimpels, en ze had prachtige blauwe ogen. Er was een hartstocht tussen hen opgelaaid waar ze nooit de energie voor hadden gehad toen de kinderen nog klein waren.

‘Welke man?’ vroeg ze nogmaals, zonder het vervelend te vinden de vraag te moeten herhalen, maar met een flauwe glimlach, alsof ze wist wat er in hem omging.

‘Een man die bij het Herring House vandaan rende. Hij moet hierlangs zijn gekomen.’

‘Niet gezien,’ zei ze.

Ze haakte haar arm in de zijne en ging met hem naar binnen.

 

Edith was ’s ochtends altijd vroeg wakker. Ook op vakantie of wanneer ze bij de kinderen op bezoek waren, stond ze meestal als eerste op. Hij hoorde haar in de keuken bezig. Ze zette de ketel op het fornuis, en daarna hoorde hij de deur opengaan. Hij wist wat ze ging doen: ze trok haar laarzen aan om in haar pyjama de kippen te gaan voeren. Ze hoefde pas om negen uur op haar werk te zijn, zodat ze altijd samen ontbeten voor ze de deur uitging. Zelf had hij moeite met opstaan, maar Edith sliep altijd slecht in deze tijd van het jaar. Vaak, wanneer hij ’s nachts wakker werd en naar de wc moest, wist hij dat ze wakker lag, hoewel ze zich niet verroerde. Ze had dikke gordijnen opgehangen, maar dat hielp niets. Op de een of andere manier was haar lichaam helemaal ontregeld wanneer het ’s nachts licht bleef. Sommige mensen hadden daar nu eenmaal last van. Als hij niet genoeg slaap kreeg, werd hij altijd gespannen en voelde hij zich altijd licht in het hoofd, en zijn gedachten kwamen dan geen moment tot rust. Edith zag dan alleen wat bleekjes, maar ze klaagde nooit dat ze moe was en sloeg geen werkdag over. Ooit had hij haar zover gekregen dat ze naar de dokter was gegaan voor slaappillen, maar de volgende dag was ze daar zo sloom en duf van geweest dat ze zich op haar werk niet goed had kunnen concentreren. Hij was altijd blij als de dagen weer korter werden en Edith weer in haar normale doen kwam.

Kenny genoot altijd erg van het halfuurtje waarin ze samen ontbeten. Tegen de tijd dat hij zich gewassen en aangekleed had, had zij de thee klaar en rook het in de keuken naar vers geroosterd brood.

Edith stond nu onder de douche; hij hoorde de watertank vollopen.

Ze was directrice van een verzorgingshuis. Hij moest nog steeds aan het idee wennen: zijn Edith die over het personeel en het budget ging, die vergaderingen in Lerwick bezocht, helemaal opgedoft, met haar haar opgestoken. Ze gaf ook les aan het verzorgend personeel op Shetland en instrueerde hen hoe ze bewoners en patiënten het best konden tillen en verplaatsen. Het verbaasde hem hoeveel kracht en doorzettingsvermogen ze bezat. Ouden van dagen die in dit deel van Shetland woonden, werden met taxi’s en bussen naar de dagopvang gebracht. Soms, als ze over haar werk vertelde, herkende hij namen die ze noemde, sterke mannen en vrouwen tegen wie hij in zijn jeugd had opgekeken maar die nu aan het eind van hun krachten waren, in de war en incontinent. Wacht mij ook een dergelijk lot? dacht hij. Zit ik op het eind van mijn leven ook hele dagen in het verzorgingshuis te bingoën? Toen hij daar eens tegen Edith over begon, had ze hem toegebeten: ‘Alleen als je geluk hebt! Nu de olie geen geld meer oplevert en er alleen maar bezuinigd wordt, is er misschien helemaal geen dagopvang meer als wij daaraan toe zijn.’ Daarna had hij het er nooit meer met haar over gehad. Zijn enige troost was dat hij verwachtte als eerste te overlijden. Vrouwen leefden over het algemeen langer dan mannen. Het leek hem afschuwelijk om zonder haar verder te moeten.

Hij schonk thee in en smeerde boter op de geroosterde boterhammen. Toen kwam Edith binnen, aangekleed, haar haar nog nat, maar al wel opgestoken.

‘Wat zijn je plannen voor vandaag?’ vroeg ze.

‘De koolrapen uitdunnen.’

Ze trok een meewarig gezicht, want ze wist dat het saaie werk altijd een aanslag op zijn rug was. Om de rapen genoeg ruimte te geven om te kunnen groeien, moesten ze worden uitgedund. ‘Nou ja,’ zei ze. ‘Je hebt er mooi weer bij.’

De vorige avond had hij bedacht dat hij vandaag misschien wel met de boot weg kon om te gaan vissen. Hij zei er niets over tegen Edith. Omdat ze zo hard werkte, kreeg hij altijd het gevoel te spijbelen als hij zoiets deed.

Toen ze haar brood ophad, liep ze naar de kleine slaapkamer, die destijds van Ingirid was geweest en die ze nu als werkkamer gebruikte. Nadat ze haar paperassen in haar tas had gestopt, liep hij met haar mee naar buiten, gaf haar een zoen en zwaaide haar uit toen ze met de auto wegreed.

Aanvankelijk was hij van plan geweest een paar uur in de tuin te werken voordat hij ging vissen, maar uiteindelijk liep hij meteen over het korte pad naar het strand, naar de schuur waar zijn buitenboordmotor en zijn netten en fuiken lagen. Er stond een zwakke oostenwind. Even overwoog hij of het toch niet leuker zou zijn om iemand mee te nemen, en hij vroeg zich af wie daar tijd voor had. Martin Williamson was een leuke jonge vent, maar meestal moest hij een uurtje in de winkel bijspringen voor hij naar het café in het Herring House ging om daar te gaan werken.

Toen hij even bleef staan, hoorde hij in de stilte de papegaaiduikers op de landtong achter de pier. Het waren er niet meer zoveel als vroeger, maar toch nog genoeg om ze te kunnen horen.

Kenny liep over de keien die tussen het strand en de weg lagen. Het was een sluiproute, en hij moest goed opletten waar hij zijn voeten neerzette. Ooit had hij hier zijn enkel verstuikt, waarvan hij nog dagen last had gehad. Hij hield zijn pas in toen hij de schaduw van het Herring House zag, die over de weg viel, en keek even of er iemand was. Maar alles zag er verlaten uit. Het café van de galerie, waar je koffie kon drinken, ging pas later open, en er stond geen auto bij het huis.

De schuur bevond zich aan de weg, naast de pier, een paar honderd meter verderop. Lawrence en hij hadden hem gebouwd. Het was een stevig gebouwtje, hoewel de golfplaten op het dak langzamerhand aan vervanging toe waren. De schuur werd nooit op slot gedaan, want alleen de inwoners van Biddista die een boot hadden, maakten er gebruik van. Verder kwam er eigenlijk niemand bij de pier. Vroeger werden alle spullen die de eilandbewoners nodig hadden, hier over het water naartoe gebracht: kolen, graan en veevoer. Tegenwoordig meerde er nog weleens een toeristenjachtje aan om een nachtje te blijven liggen, maar dit jaar had hij er nog niet veel gezien.

Op de deur zat een zware grendel, zodat de schuur bij slecht weer kon worden afgesloten en de deur niet kon openwaaien. Vandaag stond de deur op een kier. Kenny vroeg zich af wie de schuur het laatst gebruikt had en wie er zo achteloos geweest was. Eén rukwind en de deur hing uit zijn voegen. Roddy Sinclair, dacht hij. Dat zou typisch iets voor hem zijn. Die jongen dacht werkelijk nergens aan. Ooit had Roddy hier een feestje gehouden. De volgende dag was de schuur bezaaid met rode blikjes en lag er een lege whiskyfles op de grond, plus een onbekende knul in een slaapzak. Kenny duwde de deur verder open en rook de bekende geur van motorolie en vis.

Omdat hij aan Roddy Sinclair had gedacht, nam hij aanvankelijk aan dat de jongen weer een grap had uitgehaald toen hij een gestalte aan het plafond zag hangen. Roddy was natuurlijk weer eens dronken geworden op het feestje van Bella en had een streek willen uithalen. Toen Kenny naderbij kwam, dacht hij nog dat het een met stro gevulde mestzak was, met daaromheen een zwart jasje en een broek. Het hoofd was glad en glom een beetje. Net echt, dacht Kenny. Hij duwde ertegen. Het voelde behoorlijk zwaar aan. Geen stro dus. De schaduw van de bungelende gestalte gleed over de muur, en toen de gedaante aan het touw langzaam ronddraaide, kreeg Kenny het gezicht te zien. Er zat een wit plastic clownsmasker voor, glimmend in het zonlicht, dat door een spleet in de deur naar binnen scheen. Een rode, grijnzende mond en wezenloze ogen. Toen zag hij dat de gestalte echte handen had. Menselijke huid. Knokkels. Nagels, mooi rond, als van een vrouw. Maar het was geen vrouw, dit was een man. Een dode man met een kaal hoofd, die aan een van de gebinten hing, met zijn voeten een paar centimeter boven de grond. Naast hem lag een grote plastic emmer, op zijn kant. Kenny concludeerde dat de man die omgekeerd had neergezet om als opstapje te dienen, waarna hij hem onder zich vandaan had geschopt. Een zekere opwinding maakte zich van hem meester. Het liefst haalde hij het masker weg, want dat was ongepast voor een overledene. Maar hij durfde het niet. In plaats daarvan legde hij zijn handen op de armen van de man om hem stil te laten hangen, want hij vond het afschuwelijk hoe hij daar bungelde, als een vogelverschrikker aan een galg.

Zijn eerste impuls was om zijn mobieltje te pakken en Edith te bellen. Maar wat kon zij eraan doen? Bedremmeld en ontdaan liep hij naar buiten. Hij ging op een van de keien zitten en belde het alarmnummer.

 

 

 

 

Witte nachten
titlepage.xhtml
Witte nachten-ebook_split_000.xhtml
Witte nachten-ebook_split_001.xhtml
Witte nachten-ebook_split_002.xhtml
Witte nachten-ebook_split_003.xhtml
Witte nachten-ebook_split_004.xhtml
Witte nachten-ebook_split_005.xhtml
Witte nachten-ebook_split_006.xhtml
Witte nachten-ebook_split_007.xhtml
Witte nachten-ebook_split_008.xhtml
Witte nachten-ebook_split_009.xhtml
Witte nachten-ebook_split_010.xhtml
Witte nachten-ebook_split_011.xhtml
Witte nachten-ebook_split_012.xhtml
Witte nachten-ebook_split_013.xhtml
Witte nachten-ebook_split_014.xhtml
Witte nachten-ebook_split_015.xhtml
Witte nachten-ebook_split_016.xhtml
Witte nachten-ebook_split_017.xhtml
Witte nachten-ebook_split_018.xhtml
Witte nachten-ebook_split_019.xhtml
Witte nachten-ebook_split_020.xhtml
Witte nachten-ebook_split_021.xhtml
Witte nachten-ebook_split_022.xhtml
Witte nachten-ebook_split_023.xhtml
Witte nachten-ebook_split_024.xhtml
Witte nachten-ebook_split_025.xhtml
Witte nachten-ebook_split_026.xhtml
Witte nachten-ebook_split_027.xhtml
Witte nachten-ebook_split_028.xhtml
Witte nachten-ebook_split_029.xhtml
Witte nachten-ebook_split_030.xhtml
Witte nachten-ebook_split_031.xhtml
Witte nachten-ebook_split_032.xhtml
Witte nachten-ebook_split_033.xhtml
Witte nachten-ebook_split_034.xhtml
Witte nachten-ebook_split_035.xhtml
Witte nachten-ebook_split_036.xhtml
Witte nachten-ebook_split_037.xhtml
Witte nachten-ebook_split_038.xhtml
Witte nachten-ebook_split_039.xhtml
Witte nachten-ebook_split_040.xhtml
Witte nachten-ebook_split_041.xhtml
Witte nachten-ebook_split_042.xhtml
Witte nachten-ebook_split_043.xhtml
Witte nachten-ebook_split_044.xhtml
Witte nachten-ebook_split_045.xhtml
Witte nachten-ebook_split_046.xhtml
Witte nachten-ebook_split_047.xhtml
Witte nachten-ebook_split_048.xhtml
Witte nachten-ebook_split_049.xhtml